178
loozen. Het goedige Belgische volk werd opgeschrikt uit zijn gonzende bijensteden, uit zijn stille dorpen, van zijn verre rustige weiden, uit zijn lieflijke stadjes, als nesten gelegerd tegen de rotsen. De beiaards klepelden nu hun bange klokgebimbam over de angstige steden en als een oud-testamentische exodus trokken ze langs hun heirwegen wèg, de Belgen, uit hun lieflijke valleien, uit hun vredig land, in bonte wanorde opgestuwd, zij, gisteren nog een vroolijk volk, nu deernis wekkende benden, nu verwaarloosde horden. En zóó kwamen ze naar het bevrijd gebleven Nederland, dat hun verzorging opvatte als het zoenoffer voor de groote gunst der Almacht, welke Nederland buiten den wereldbrand had gehouden.
Maar niet volkomen was de dwerg vernietigd. Op het meest Zuid-Westelijke punt, daar, in het laagland, vloeide de kleine rivier, de IJser, rustig tusschen haar lage boorden. Het teruggeweken Belgische leger, dat zich zoo heldhaftig had gekweten, opvangend en brekend den eersten stoot van den grootsten oorlog, die ooit op aarde geweest is, redde zich achter deze rivier en de IJser, als de ader die zwelt bij laatste krachtinspanning, zette zich op, berstte tusschen haar oevers en zwalpte haar wateren rondom over de laaglanden, die, als voelden ze het gevaar dat dreigde, onderdoken, schuil gingen, zich vol zogen met het reddende water en de bloeiende beemd, waar het vee vredig geloeid had en de lindeboomen langs de wegen zacht suiselden, was nu een drasse vlakte, een brakke grond.
De Duitschers, die aangerukt waren met hun zware en lichte artillerie, zeker van één rijk, al was het dan ook een klein, gehéél ten onder gebracht te hebben, stonden opeens stil. Een element der vrijheid, het