176
stieg; een dwarsstraat in, een huis binnen; daar zat Lieschen met een vreemden man. Was het haar vader? Neen het was haar vader niet; het was een boer, een boer uit het Ditmarsche. Hij zag ook nog naar andere menschen, in dezelfde kamer, het waren vrouwen —
neen, vrouwen waren het niet, het waren geesten____
Nu sprak Lieschen tot hem. Hij kon niet antwoorden, zijn stem was verstikt, zat vast in het zware lichaam, maar hij schreef; hij wist niet hoe hij schreef, maar hij zag wat hij dacht meteen als letters op een groot blad papier.....
Twee soldaten van het Roode kruis tilden een een-jaarschen soldaat op, die bewusteloos aan den rand van een granaat-trechter lag. De man had uiterlijk geen wonden.