174
„Ik heb honger, kan ik wat te eten krijgen?
„Je kunt brood en spek krijgen!”
„Edele heer, ze hebben me verteld, dat bij de Duitschers alles fijn ordelijk is en dat de Joodsche soldaten daar koscher eten krijgen.”
De officier was nu toch wel wat gevleid. „Hou je mond maar,” zei hij zachter, ,je zult wel geloofsgenoo-ten vinden; doe het nou maar met hetzelfde eten, dat goed is voor ons ook!”
Claus salueerde en wilde vertrekken, maar de Rus riep hem terug.
„Levensredder, laat ik je nog een woord van dank zeggen; ik zal je onthouden, levenslang onthouden. God geve, dat ik je in betere tijden terugzie.” En zich tot den officier wendend: „Edele heer, dat is een brave Duitscher, dat is een mensch, die vecht als een leeuw en toch z’n menschelijk hart bewaard heeft. God zegen je, Duitsche soldaat, God zegen je!”
De officier lachte wat uit de hoogte, maar Claus sloeg aan en liep door. Zijn gemoed was vol. O, wat een wereld! Wat een toestand! Tegen zulke menschen was hij uitgezonden om te vechten. Een lam in wolfsvacht, die Jood. En met huivering dacht hij nu aan de Russen, die hij had moeten neervellen, vooral aan dien eenen langen slungel, die met zijn kin in zijn bajonet was gevallen. Claus rilde. En nu moest hij weer terug, opnieuw vechten, opnieuw menschen aan zijn bajonet rijgen. En toch, hij zocht den dood niet, hij vreesde den dood. Vreemd, ginds in Husum had hij, in zijn vriendelijk studeervertrek, dikwijls neiging gehad tot zelfmoord en nu hier, te midden van deze woestenij en deze gruwelen was hij vol wil om te leven; hij moest blijven leven, hij voelde, dat hij een groote