De Lafaard

Titel
De Lafaard

Jaar
1916

Pagina's
240



170

„Maak je maar niet bezorgd, ik zal niet ontvluchten, we zijn voor vandaag beiden gered. Dat was mooi vechten van je, Duitscher. Ik ben instructeur, maar van jou kan ik nog wat leeren.”

„Je spreekt Duitsch?” vroeg Claus.

„Beter dan Russisch. Ik ben een Jood, ik heb gevochten, zoolang ik vechten moest, maar ik dank God, dat ik met fatsoen den dans ben ontsprongen. Ze zijn gek met hun moordpartijen, gek, zijn ze, de gojem! Zeg me eens, Duitscher, zijn er veel Joodsche soldaten achter het front? Weet je, ik leef al twee weken op brood en kaas. Hebben jullie voor de Joden koschereten? — bij jullie is alles toch in orde?”

In Claus was alle vechtlust opeens bedaard. De ex-taze was voorbij en nu voelde hij voor dien zachten, onderworpen man naast zich, die toch zoo goed gevochten had, opeens een diep, een groot, een ontzaglijk medelijden.

„Waar breng je me naar toe?” vroeg de Rus weer. „Heb je niks voor me te eten? Ik heb honger. Ik ben een getrouwd man en heb al drie kinderen; wij Joden trouwen vroeg in Rusland. Ik dank God, dat ik met jou te doen kreeg, nou blijf ik tenminste voor m’n gezin gespaard. Maar geef me wat te eten, ik heb honger.”

„Loop wat terzij,” zei Claus, „straks moest ik tegen je vechten, nu ben je mensch bij menschen. Hier!”

Hij gaf hem een stuk chocolade, dat hij in zijn zak had.

„Dank je wel, Duitscher! Mensch onder menschen, dat ben ik nog nooit in Rusland geweest. Ik ben kleermaker van m’n ambacht, ik ben een fijn kleermaker, wat ben jij?”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.