162
dingen gezien, maar ik heb geen schuld aan dit alles. Wij zijn vluchtende. Ik ben in een groote kamer geweest, met veel boeken, Duitsche boeken. De Vlamingen zijn brave kerels. Nu gaan we over Berlijn naar Königsberg. Ja, ja, Lieschen, ik weet wel, uit de herberg. Ik groet je, Lieschen. Wees vroolijk en blijf goedsmoeds. Een goed geweten is een zacht kussen. Hier is mijn adres.”
Lieschen zag verbaasd naar eenige lijnen, zooals ze op een landkaart geteekend zijn, maar zij kon er niet uit opmaken, wat het was.
„Bent u tevreden?” vroeg de somnambule.
„Ik weet niet, hoe u te danken,” zei Lieschen verheugd, „want ik geloof vast in u.”
„En ik,” zei de boer, „ben nu zeker, dat er wonderen gebeuren. Want ’t is toch maar niet te verklaren, hoe u zou weten, dat mijn jongen aan z’n pink een ring draagt met een steen van agaat, die opengaat en waarin het portret van z’n moeder zit, die maar één oog heeft.”
„Denk aan uw sneeuwwater,” zei de slaapster. „Wat hier gebeurd is, komt bijna eiken dag voor; ik kan u er echter niets meer van zeggen, en gelooft u er alleen van, wat u wilt gelooven. En als u wilt, kom nog maar eens terug.”
„Dat zullen we zeker,” zei de boer en beiden, nadat zij hartelijk afscheid genomen hadden van de slaapster en haar moeder, verlieten, vol van de vreemde gebeurtenis, de woning.