160
keek even verwonderd rond en zei daarna dadelijk: „De randen van m’n oogen branden, denkt u toch vooral aan het sneeuwwater; ik heb in m’n slaap aan een geest gevraagd, of het goed was en die zei me: „Dit zijn de menschen, die ik u gezonden heb.”
„Dat had ik zelf niet verwacht,” zei de boer, „ik weet zelf niet hoe ik er toe kwam, u van het sneeuwwater te spreken, het was maar zoo’n inval, omdat ik zoo heel graag geholpen wou worden.”
„Wat wij als invallen beschouwen, zijn dikwijls influisteringen van machten buiten ons,” zei de somnambule, „wij weten niet in welke werelden wij leven; alles is wonderlijk om ons, en wij zelf zijn de grootste wonderen.”
Tegelijkertijd reikte zij de beide bladen aan Lise over en zei:
„Leest u het maar. Ik zelf weet nu nog niet, wat ik geschreven heb.”
„Je hebt vandaag weer met je linkerhand óók geschreven,” zei de moeder.
„Is het niet vreemd?” vroeg de slaapster aan Lise, „dit rechtsche handschrift is niet mijn gewone handschrift en in normalen toestand kan ik niet met m’n linkerhand schrijven, geen gewoon en ook geen spiegelschrift.”
Lise nam het eerste, het met de rechterhand geschrevene. Het was onregelmatig, met groote, beverige letters en zij las:
„Ik kom voor boer Jörgen Kirkstjerne. Peer is bij twee vrouwen; ze dragen groote witte kappen, een wit beenen kruis op de borst en een japon van blauw katoen. De eene vrouw ondersteunt zijn hoofd. Hij heeft blond haar en op de mouw van zijn hemd is een