155
zes nummers werden er op een dag niet uitgegeven.
Ze waren spoedig bij het huis, liepen de trap op, schelden aan op de verdieping, werden open gedaan door een oude vrouw met rustige, vriendelijke trekken.
Neen, vandaag zou er geen mogelijkheid zijn, er waren er al zóóveel voor — ziet eens — en ze wees op de wachtkamer, waarvan ze de deur een weinig openstiet.
Lise zag er een aantal dames en heeren zitten. Maar de boer was er een uit het Ditmarsche en dus koppig.
„Moeder,” zei hij trouwhartig tot de oude vrouw, „we komen heel van Husum en het is voor ons een onderneming. Ook zeggen ze bij ons, dat ’t maar praatjes zijn en dat de slaapster een groote bedriegster is. Hier nu, de juffrouw, is meegekomen om de waarheid te vernemen. Als ’t een Thaler of een paar Thaler meer moet kosten, dan zijn we daar niet tegen.”
„Het is onmogelijk,” zei de oude vrouw.
„Jawel, moeder,” zei de boer, „dat weten we wel, dat het niet om het geld te doen is, maar wat zou je zeggen van een paar kluiten Husummer roomboter? Dat is wat anders dan de vervalschingen, die je in de groote stad betaalt. En dan, eieren van eigen kippen, van boèrenkippen,” zei hij, den nadruk op het boeren leggend, alsof deze een heel andere soort eieren legden dan welke andere kippen ter wereld ook. „En dan heb ik iets, waar de slaapster haar voordeel mee zal dqen. Een flesch echt Maartsch sneeuwwater.” Hij knipoogde tegen Lise. „De perfesters willen het niet weten, maar heb je wat aan je oogen, hetzij een afgestane tocht, of kinderbrand, of ingeslagen klierstof en je gaat heen en je neemt oud linnen, doet daarop tien druppels