154
boer was eenigszins bekend te Hamburg, want hij had er vaak inkoopen gedaan, of producten verkocht. Lise was eerst wel wat beduusd van de groote stad en zij bleef dicht bij den boer loopen, die haar vertelde van zijn jongen, zijn oudste, die hij toch maar liever op het land zag, achter het vee of achter den ploeg, dan in het gevecht. Ja, ja, het Vaderland, dat was nou wel heel mooi, maar al dat vechten was niks waard. Tegen den sergeant en tegen den korporaal kon je daarover niet spreken, maar nou moest ze hem toch eens even uitleggen, hoe dat nou zat: Je had inSlees-wijk huisgezinnen, waar de grootvader en de grootmoeder Deensch spraken en de vader en de moeder plat-Duitsch en de kinderen Hoogduitsch. Dat waren eventjes in drie geslachten, drie talen — nou en waar bleef dan je Vaderland? Het vee werd wel prijzig en wie bouwland had, die was er ook goed aan toe — daarom had-ie ’t niet tegen den oorlog, maar dat er menschenlevens mee gemoeid waren, dat was het eenige wat er tegen den oorlog was te zeggen en daarom moesten ze hem maar afschaffen. Of nou een stuk land Deensch was of Duitsch, ’t gras wat er op groeide was net hetzelfde en het koren was krek eender, of ’t land onder den Duitschen keizer of den Deenschen koning stond.
„Hij spreekt net als m’n Claus,” dacht Lise.
Ze wandelden naar den Jungfernstieg en vroegen daar in een winkel, waar de boer tabak kocht, naar Annalise, de slaapster.
De slaapster woonde in een nauwe straat, dicht bij, maar het zou de vraag zijn, of ze dadelijk geholpen zouden kunnen worden, want ze had het zóó druk, dat er kaarten werden afgegeven met nummers en meer dan