152
„Dat kan ik je niet zeggen; denk je, dat we er nog het oog op kunnen houden waar we heen worden gestuurd? Je zult zien, deze heele oorlog wordt voorwaarts- en terugtrekken, een spelletje van zoo-zie-je me en zoo-je-zie-me-niet.”
„En zou ik nu niet te weten kunnen komen, waar onze jongens zitten ? Het is voor een paar pakjes, zie je. Ik heb sokken voor ze gebreid en die wou ik ze sturen.” „Dat hoeft niet,” zei de korporaal, „wij kunnen ze ook best gebruiken. Of zijn ze voor een vrijer?”
„Ik heb nog geen vrijer,” zei Lieschen, maar ze sloeg meteen haar oogen neer.
„Dat moet je ons niet wijsmaken,” zei de sergeant. „Een meid van jouw postuur, die heeft er eer twee tegelijk dan geen een. En anders wil ik wel de vrijer zijn, die jouw sokken draagt.”
„Plaag me nou eens niet en zeg me, hoe ik het adres van Plump, van Heinrich Plump zou kunnen te weten komen.” „Zoek maar naar een naald in een hooiberg, dan heb je eerder kans hem te vinden; je zou net zoo goed het aan een waarzegster kunnen vragen.”
„Nou”, zei een boer, „d’r mot toch een wijze vrouw in Hamburg zijn, die al heel wat adressen heeft opgegeven. ’t Is een slaapster en in d’r slaap ziet ze, waar de menschen zijn.”
„Of ze ziet waar ze niet zijn,” zei de sergeant lachend, „dat is onzin, als die vrouw dat kon, dan zouden ze d’r wel postmeesteres maken, dat spaarde een hoop moeite aan de veldpost.”
De boer antwoordde niet, maar dronk met overtuiging op ’t gelaat een glas bier geheel leeg. Toen zette hij zijn glas neer en zei weer:
„En toch mot ’t waar zijn. Ze heet Annalise Köpich