150
druk, want er werd veel gedronken. Zij luisterde maar met een half oor naar dat altoos weer spreken over den oorlog. Zij deed lichamelijk haar plicht, vulde de bierglazen en bracht ze aan; zette met een glimlach en een passend woord de volle glazen neer, of nam de leege weer mede, maar haar eigenlijke bestaan dwaalde ver buiten de sfeer waarin zij zich bevond; zij leefde een droomleven en het was haar soms, of zij uit twee personen bestond, de eene, dat was het bij-de-hande Lieschen, de herbergiersdochter en de andere de zoo heel vreemde droomster. Die andere Lieschen hield haar oor gespannen, luisterend naar een woord, dat iets omtrent Claus Demuth zou mededeelen; ze vermeed het, direct te vragen, want ze wilde voor niemand weten, hoezeer haar hart aan den verdwenen onderwijzer hing. Ze wist, dat ze niet behoefde toe te luisteren; zoodra de mannen over Claus of over Plump zouden spreken, dan zou ze het weten, zonder dat ze er op gelet had.
Kolde Holsbroh was aan het woord.
„Waarom we nu zoo plotseling terug moesten, dat wordt ons niet gezegd. Het hoofdkwartier vertelt niemand waarom het zus of zoo handelt, maar als soldaat weet je wel, dat wat ze doen altijd goed is, al is het ook niet goed; je kunt winnen en toch ongelijk hebben en je kunt verliezen en toch gelijk gehad hebben. Nou dan, d’r is wat geweest, waarom ze, onder Von Kluck, opeens teruggetrokken zijn — nou gaan we allen op Oost-Pruisen aan, waar de Rus zich genesteld heeft en we zullen den Rus er uitslaan ook. Maar daarom zijn we niet teruggetrokken; die Rus had geen haast, die zou wel zijn blijven zitten tot we hem kwamen opzoeken; een Rus is net als z’n luizen — hij blijft zitten waar-ie ’t goed heeft. Er moet wat anders