HOOFDSTUK XIII
In de herberg te Husum waren twee gewonden, van het Fransche front teruggekeerd. Zij waren nu naar huis gestuurd, tot ze genoegzaam hersteld zouden zijn om weer deel te nemen aan de krijgsverrichtingen. De herberg was in die dagen druk bezocht, want men had niet genoeg aan de berichten van het plaatselijke blad, doch men besprak de gebeurtenissen op de slagvelden onderling en men putte er hoop uit. Toen de twee gewonden aangekomen waren, werd de toeloop nog grooter, want nu had men twee deskundigen: een korporaal en een sergeant, en al de tinnegieters en al de biertafel-strategen zwegen eerbiedig, als ’s-avonds Rink Otterndorf en Kolde Holsbroh met een kaart, uitgespreid op het biljart, de posities der legers beschreven. Zij spraken niet van Rusland of Engeland of Frankrijk, maar zij stelden zich de natiën als één persoon voor en zoo heette het dan: de Fransoos stond daar en daar en toen kwam de Belg en steunde hem in de flanken en we zouden ze verder teruggeslagen hebben, als de Engelschman niet op het laatste oogen-blik verschenen was — toen werd het ons te veel.
Lieschen stond achter het buffet en zij had het weer