148
terug en een officier zeide tot Claus: „Onmiddellijk naar de Noorderstatie en alle mannen meenemen.”
Claus voegde zich bij een troep, stapte mee, vond op het Rogerplein, het te voren vastgestelde punt van samenkomst bij alarm,zijn compagnie en tien minuten later stond hij tusschen een twintigtal soldaten in een goederenwagen. Een kwartier later zette de trein zich in beweging.
„Gaan we weer naar Parijs?” vroegen de mannen elkaar. Claus antwoordde niet. De student had hem voldoende ingelicht en de richting waarin de trein reed liet nog niets gissen, maar hij wist, dat hij naar Oost-Pruisen ging, om het Vaderland te bevrijden van den Rus. En nu voelde hij zich gelukkig, hij behoefde dus niet het bloed van de Vlaamsche broeders in België te storten, hij behoefde ook niet tegen den Franschman op te trekken. De Russische barbaar, de man van de gevangenissen van Orel en de Siberische ballingschap, die nu zijn eigen land belaagde, zou hij terug mogen slaan. Dat was ten minste vechten met een goed Duitsch geweten. Hij voelde zich, hoewel hij opgedrongen stond tusschen de andere mannen, sterk en krachtig en vol strijdlust, en om den moed er bij de anderen in te houden, maar ook wel, omdat diep in hem iets woelde van geluk, van strijdlust van strijdbaarheid, begon hij te zingen:
Es braust ein Ruf wie Donnerhall Wie Schwertgeklirr und Wogenprall
en de andere soldaten gingen meezingen, en terwijl de trein denderde door het donkere avondlandschap en zij stonden in den valen olie-gas-schijn van den bolderenden wagen, klonken hun zware stemmen krachtig en levenslustig.