140
licht zagen blinken, kwam er iets van vreugde in de terugtrekkende Duitsche troepen. Maar Claus was stil en bedroefd. Hij wist het, dat was maar surrogaat. Het Elysée en de Are de Triomphe had hij gehoopt te mogen zien opdagen uit de morgenschemering. En nu was het het gebouw der gerechtigheid, hetwelk dat kleine vredelievende Belgenvolk boven op den hoogsten heuvel van zijn grootste stad had opgericht. Nu te juichen, dat was schande, dat was karakterloos, dat was laag, ja, dat was erger — ziedaar, Claus Demuth vond het Kulturwidrig.
Hij werd voor een nacht en een dag ingekwartierd bij een eerzame banketbakkers-familie op den Boulevard du Nord. Hij had verwacht, norsche vijandigheid te ontmoeten, maar de banketbakker had hem den salon op de eerste verdieping afgestaan en toen hij hem het eten bracht, vertelde hij hem, in een gebroken Duitsch, dat zijn oudste zoon een voorvechter der Flaminganten was en altijd Duitsche sympathieën had gehad. En om hem te bewijzen hoe goedgezind de Vlamingen jegens Duitschland geweest waren en hoe onrechtvaardig het geweest was, dat de Duitschers door België waren getrokken en een groot deel van het land hadden verwoest, geleidde hij Claus naar de boekenkast, deed de glazen deuren open en wees hem op de rijen werken in prachtbanden.
Claus werd bleek. Hij voelde Duitschland sterven, de Duitsche kuituur ten onder gaan, hier voor deze boekenkast van een Vlaamschen student.
„Das ist ja unser Brockhaus,” zeide hij ontsteld en hij zag naar de twintig gebonden deelen van de Duitsche encyclopaedie. En daaronder, daar stonden Goethe, Schiller, Chamisso, de „Oberon” van Weber en Heine