139
Nu en dan knetterde van terzijde wat geweervuur, maar er werd geen acht op geslagen. Waren het vrijschutters, waren het kleine troepen geregelde soldaten ? Het vuur werd nauwelijks voor den vorm beantwoord. Een enkele maal vielen wat kameraden neer, ze werden opgetild, aan den kant van den weg gelegd, waar de wagens van den trein ze wel zouden, vinden en voort trok de lange, grauw-grijze menschenslang.
Zoo rukte Claus met z’n regiment België weer binnen. De stemming werd daar nog somberder. Zij schrikten van het eigen onheil, dat zij daar hadden aangericht. Platgebrande dorpen, verwoeste stadjes en overal klagende, havelooze, verschrikte vrouwen met kinderen; vooral veel kinderen, kinderen, overal kinderen, hun slachtoffers. Ze wierpen, van hun schaarsch rantsoen, ze brood toe, beschaamd haast over hetgeen zij aangericht hadden, zich eerloos voelend, trachtend de vrouwen te overtuigen, dat zij niet zoo kwaad waren als zij er uitzagen, dat zij persoonlijk niet verantwoordelijk waren voor het onheil, dat zij gezamenlijk hadden aangericht. Dat was geen oorlog, met hun groote overmacht een klein, vredelievend volkje te overvallen — ze wisten het zelf immers wel. Het was niet de schuld van den Duitschen soldaat, het was de schuld van de ligging van België, dat het voetpad vormde tusschen Duitschland en Frankrijk.
Te Brussel, zoo hoorden ze dan ten laatste, zouden ze „verladen” worden; daar stonden de wagens gereed, die hen over Leuven, Tirlemont, naar Aken zouden brengen. Daar zouden ze dan wel weer hooren, waarheen de reis verder ging.
Brussel, dat was „Klein-Parijs.” Toen ze van uit de verte het Palais de Justice, hoog en blank in het zon-