131
na mijlen, rijen na rijen, linies achter linies; de eerste periode van den oorlog was voorbij, de tweede zou beginnen. Geduld tegen geduld, zooals dat past voor hen, die zich in graven, diep onder den grond, hebben ingesloten.
Descombes, bevorderd tot sergeant, had een loopgraaf vóór in het Argonnerwoud.
De herfst was vroeg begonnen en de jonge priester voelde weemoed, toen hij het loover al gelen zag en de windvlagen reeds de bladeren naar beneden joegen. Ook daar vernieling, peinsde hij. Was het dezelfde macht, die de bladeren deed welken en die nu zoovele menschen wegrukte uit het leven? Neen, neen; zij, de bladeren, hadden hun leven doorleefd, hun plicht vervuld en zij stierven in schoonheid. Hier, in de loopgraven en aan de overzijde, waar de Duitschers waren, stierven de mannen in hun jeugd, vóór zij hun roeping hadden vervuld; en voor het eerst kwam, diep in den priester, een gevoel op, dat het gevoel van liefde voor Vaderland en Kerk te boven ging — hij voelde de eenheid van jeugd, de jeugd, die ginds in de loopgraven van den vijand belaagd werd, de jeugd die hier, rondom hem, het groote gevaar trotseerde. Het waren ginds dan toch ook jonge mannen met jeugd-idealen en wellicht werd aan gene zijde, op dit oogenblik, een priester der Duitschers neergeschoten, die, juist als hij, meende op te komen voor het heil van Kerk en Vaderland. Zou dan nooit het gevoel van saamhoorigheid der menschheid, door Christus gepredikt, algemeen worden? Moesten zelfs de menschen in Europa, zooveel eeuwen nadat zij het heil van Golgotha hadden ontvangen, elkaar vernietigen, met al de middelen die het vernuft kon uitdenken, terwijl toch, diep in,