126
moediging meer behoefden. Zij trokken voort, de onafzienbare rijen, onweerstaanbaar, onvermoeibaar, met mechanische kracht, en het Fransche leger week. Het week, het kon niet anders dan wijken voor deze eenheid van wil en kracht, dit stalen gevaarte, het Ger-maansche heir, dat, onder leiding van den Kroonprins, van den achter-kleinzoon van Wilhelm den Groote, te Parijs het recht op wereldheerschappij ging verwerven. Het Fransche leger week, juist zooals het voorzien was en zie: het was, alsof het, wijkend, magnetisch de Duitsche troepen achter zich aantrok. Dag-marschen van tien uur werden spelend volbracht en de mannen zongen nog in het tiende uur en hadden nog veerkracht in den tred en hun oogen blonken met vreemde glansen van verlangen.
Het Fransche leger week — het ontweek. Het dorst den strijd niet aan. De spionnen kwamen het Duitsche leger tegemoet gesneld, zij brachten de hoopvolle berichten: de Fransche regeering gaf Parijs reeds op, verplaatste zich naar Bordeaux, naar den uithoek, naar de vluchthaven. De „Banque de France” zond haar goud naar Calais, om het naar Engeland te kunnen redden.
Voorwaarts, voorwaarts. De leegte zoog de volte op, om zich te verzadigen en van achter kwamen de geruchten, dat de Russen opgedrongen waren, om het Duitsche leger in den rug aan te vallen. Geheel Oost-Pruisen was in een woestenij veranderd — nu maakten de Russen zich op, om naar Berlijn op te trekken, naar Berlijn — Berlijn.
Het leger van den Kroonprins begreep de suggestie van het woord. Het herkende zichzelf. Trokken zij niet naar Parijs en wisten ze niet hoe dat woord hen