HOOFDSTUK XI.
Naar Parijs! naar Parijs! naar Parijs!
Het geheele optrekkende Duitsche leger was bevangen door denzelfden zwijmel: Parijs! Het woord Parijs had den geest, den al-geest van het groote leger verward. Het maakte de gewone soldaten duizelig, het zoemde in het brein van de officieren, het drong verder, boorde zich in het gemoed van de hoofdofficieren, het beving de leiders en ten laatste breidde het zich uit in de ziel van den leider van het voorste leger, in de ziel van den Kroonprins. Hij had van zijn vader de opperleiding gekregen van de keurtroepen, die de phalanx zouden vormen; het parool was geweest: langzaam voorbereiden, snel ten uitvoer brengen. Indien Parijs veroverd was, dan zou de oorlog fel, maar snel zijn geweest en Duitsch-land, dat nog geen halve eeuw geleden nabij Parijs tot eenheid was gekomen, het zou nu te Parijs den ouden droom van wereldheerschappij, het herstel van het rijk van Karei V, tot werkelijkheid kunnen maken. België was, ondanks den heldhaftigen tegenstand, behalve dan het hoekje achter den IJser, ten onder gebracht. Nu trokken de Duitsche troepen Frankrijk binnen; zoodrade Fransche grenzen overscheden waren scheen het, alsof de Duitsche mannen geen aan-