122
Die Welt ist mir verdorben,
Mich grüsst nicht Blume, nicht Stern;
Mein Herz ist lange gestorben,
Denn du bist fern.
Ze las het vers nog eens over en maakte aan de hoofdletters nog een paar mooie haaltjes en keek of het zoo goed genoeg geschreven was en toen werd nog een e duidelijker overgehaald en de laatste regel: Denn du bist fern van elk couplet, onderstreepte ze met een keurig lijntje. Zoo, nu zou hij toch wel alles begrijpen.
Maar hoe zou ze het nu onderteekenen ? Ze peinsde er over, bijtend op den steel van den penhouder en overlegde.
,Je je eeuwig liefhebbende Lise.” Neen dat kon toch niet. Ze dacht weer na; „Lieschen, die je eeuwig lief zal hebben, tot in het graf.” Ja, dat zou mooi zijn, tot in het graf, dat was zoo echt gevoelig. Maar, neen, hoe kon ze toch van liefde spreken; zij was het meisje en hij was de jongen en dus moest hij beginnen, al was haar hart ook zoo vervuld van hem, dat ze het zou willen uitschreeuwen. Ja, hier zou ze het nu willen uitschreeuwen, al klopte moeder ook nog zoo met de slof en zei, dat ze een slechte meid was. Goed, dan was ze een slechte meid, en toch zou ze het uitschreeuwen en al lachten ze allemaal, ze zou naar de waarzegster gaan en ze moest het ook weten, of haar Claus haar liefhad, haar Claus, die te Parijs nu wandelde met het ijzeren kruis op z’n borst en Fransch sprak als een geleerde, dat ze hem allemaal voor een echten Franschman hielden — dat alle Franschen zeiden, dat hij veel beter Fransch sprak dan zij zelf en vroegen,