121
en dacht, dat zij sliep. Ze las, het boekje tegen het maanlicht gehouden en de oogen dicht er op, de verzen en opeens, ja, daar vond ze het vers, dat Claus zeker zou mooi vinden. Wat was zoo’n dichter een wonderman, dat hij zoo iets kon schrijven voor haar, zonder dat hij haar kende. Zou het dan toch waar zijn, wat vrouw Amerstedt zeide, dat van die vrouw te Hamburg, de slaapster, die kon zien, wat heel in Parijs gebeurde ? Als ze eens naar heur toeging ? Om den Thaler en om de kosten van de reis behoefde ze het niet te laten — al was het ook de laatste Pfennig die ze bezat, het zou nog te weinig zijn, voor haar lieven, lieven Claus.
Haar lieve, lieve Claus, ,ja, maar,” zei ze zacht, opblikkend naar de blauw-zilveren zwaarmoedige schijf, „als je nu ook boven Parijs schijnt, kijk hem dan aan en zeg, dat ik hier ben, z’n liefste en alleen aan hèm denk en dat niemand in de wereld zoo bemind wordt, als Claus, mijn lieve Claus door mij.”
Moeder sliep, het was doodstil. Ze stak het lampje geruischloos aan, doopte de pen in het fleschje inkt en met fijne, voorzichtige letters schreef zij langzaam en moeilijk:
In meinem Garten die Nelken Mit ihrem Purperstern Müssen nun alle verwelken Denn du bist fern.
Auf meinem Herde die Flammen Die ich bewacht so gern, Sanken in Asche zusammen, Denn du bist fern.