117
maar diep-in was ze treurig. Ze stond ’s-morgens later op, want ze zag zoo op tegen den langen, langen dag en ze deed traag en droomerig, zonder „er bij” te zijn, het huiswerk. Het liefst was ze in den tuin en ze keek naar de bloemen, plukte ruikers roode anjelieren, schikte ze in de bonte vazen en ze dacht daarbij : konden die zijn voor het graf van mijn lieven, lieven Claus. En al zou ik er ook alles voor moeten verliezen, als de oorlog over is, laat ik hem opgraven en hij zal hier op het kerkhof begraven worden en ik zal levenslang bloemen op z’n graf brengen en hem be-weenen en nooit, nooit meer naar een anderen man zien. Had ik hem toch maar een afscheidskus gegeven, al was het maar één enkele kus, dat had hem zalig doen inslapen, want zij wist wel, hoeveel hij van haar hield. Zij dacht ook aan Plump en zij haatte hem nu, omdat hij haar met geweld had gekust, en zoo Claus van zijn recht beroofd. Zoo ging het altoos: de geweldenaars kregen het recht en Claus, haar fatsoenlijke jongen, die was in den oorlog gebleven en als held gestorven en geen liefje in de Heimath had hem ten afscheid gekust, en niemand had hem, bij het vertrek, lekkernijen toegestopt en niemand had hem zachte, fijn-gebreide sokken meegegeven, die het marcheeren in de zware laarzen zooveel lichter maakten.
Om boete te doen voor haar verzuim, was ze toen fijne wol gaan koopen en nu zat zij achter het buffet en breide den geheelen dag, en ook ’s-avonds breide zij fijne wollen sokken voor de soldaten, die uittrokken.
Zij tikte met de pennen en het was haar, alsof zij kruisjes sloeg, altoos maar kruisjes sloeg en dan was zij zoo weemoedig, omdat Claus geen kruis op z’n graf wou hebben, ginds in den vreemde.