116
kleermaker gezegd. „Plump was altijd zoo’n soort poëet.”
Ze hadden allen geschaterd, dat de athletische leidekker een poëet zou zijn.
„Hij was geen dichter,” zei Rinke Lösch, de snijders-leerling, die altijd grappig was.
„Wat was-ie dan?” had er een gevraagd.
„Hij was een leeger, een groote leeger van potten bier.”
Die geestigheid had hem drie potten bier ingebracht; die was goed, maar toch moest Lieschen er een vers op zetten, dat stond zoo „gebildet” en Heinrich Plump, dat was zoo’n „Gebildeter,” die had den schoolmeester nog aan „Bildung” overtroffen. — En weer was er schaterend gelachen om die goeie mop.
De kaart met de vele handteekeningen was Lise toegeschoven en er was nog net een ruimte van twee regels voor het gedicht.
„Wat zal ik schrijven?” vroeg zij. En toen, heel ernstig, zich twee regels herinnerend, uit een poëziealbum, schreef zij, zelve varieerend, voor Heinrich Plump, maar denkend aan den armen lieven, lieven Claus, die nu al in het graf lag:
Je woning vriend, die weet ik niet,
’k Geloof, ze heet: Vergeet-mij-niet.
Sakrement! op die poëzie hadden ze allen nog een pot gedronken. Zoo iets had Schiller zelf niet kunnen dichten. Als Lise loskwam, dan kon ze d’r wat mee — dat moesten ze zeggen, de waard had z’n dochter een prima opvoeding gegeven — alles eerste klas, wat aanbelangt de „Bildung.”
Maar Lieschen bracht wel de glazen aan en zij luisterde, met een gedwongen glimlach, naar de gasten,