113
dit of dat te koop hadden en ze kregen dan aanbrengpremies. Hij was leverancier voor het leger en hy had verteld, dat er te Berlijn menschen uit Oost Pruisen waren aangekomen, die gruwelijke verhalen deden omtrent een inval der Russen. De Russen zouden met tienduizenden mannen te gelijk, nog vóór de mobilisatie van Duitschland, aan de grens saamgetrokken zijn geweest en na de oorlogsverklaring, als een wolk van sprinkhanen, over Oost-Pruisen zijn neergedaald. En waar ze kwamen, de Russen, daar plunderden ze, stichtten brand, voerden mannen, vrouwen en kinderen als gijzelaars naar Rusland ver weg, misschien wel naar Siberië.
De menschen te Husum geloofden hem maar half; het was zoo onwaarschijnlijk — daar zou Majestat toch wel voor gezorgd hebben, dat er geen Russische soldaat in Duitschland kwam. En dan, de man sprak met Berlijnschen tongval, de Berlijners hebben groote monden en foppen ieder, die niet uitgeslapen genoeg is. Toch gaf het veel bedrukking.
Er werd in de herberg ook over den inval in België gesproken. Er werd niemand gevonden, die er kwaad van zei, maar juist omdat elkeen het verdedigde, zonder dat anderen er aanleiding toe gaven, voelde wel ieder voor zich zelf, zonder het uit te spreken, dat er een onrecht geschied was.
Er waren ook al brieven en prentkaarten door de veldpost te Husum bezorgd en er was er al een uit Husum gewond. Claus Demuth, de schoolmeester, had nog niets van zich laten hooren, zoolang hij weg was, maar Lieschen had een brief van Heinrich Plump ontvangen, die schreef, dat de schoolmeester te St. Truyen, nog altijd in België, ’s-avonds bij een overrompeling
8
De Lafaard