HOOFDSTUK X.
Het was in de groote herberg te Husum nu alle dagen druk. De oorlog was toch nog voor allen vreemd, vol hoop, verlangen, vrees. De vele mannen, die achtergebleven waren, maar die verwachten konden, dat straks het Vaderland zou eischen, dat ze ook optrokken, kwamen nu in de herberg, lazen de couranten, vertelden van het nieuws, dat ze in de andere dorpen gehoord hadden, of soms, als er een uit Hamburg kwam, dan vertelde hij van de geruchten die daar rondliepen en er was zelfs een man in de herberg geweest, die uit Berlijn kwam. Hij had het geld wel voor het wegwerpen gehad en tegen ongewoon hooge prijzen alles opgekocht, wat hij maar te koop kon krijgen: graan, leder, zijden spek, ham, wol, aardappelen, vlas, ja, hij had nu al den oogst van het volgende jaar willen koopen van een boer, hoewel de opbrengst en de marktprijs een jaar vooruit moeilijk te schatten waren. De man uit Berlijn had pakken bankpapier bij zich gehad en hij had overal papier tegen goud ingewisseld en dan graag voor de vriendelijkheid van het wisselen een geschenk over. Het was een royaal heer en hij dronk ’s-avonds een flink glas bier. De boeren kwamen bij hem in de herberg en brachten andere boeren mee, die