109
Golgotha. Hij vocht tegen de nakomelingen en tegen de bondgenooten van de Hunnen en de Avaren, hij de ridder des Kruises. Men had hem willen indeelen bij de Roode^Kruis-soldaten; hij had geprotesteerd: „Ik ben geboren voor het front.” Men had verwonderd gekeken naar dien tengeren, bleeken, zwakkelijken jongen priester, maar toen hij gekeurd werd, werd niet één steetje op zijn blank lichaam gevonden en niet één orgaan toonde zwakte; de geest beheerschte dit zwakke vleesch en gaf het de harmonie aller krachten.
Hij trok op, het geweer geschouderd, roodbroek tusschen de roodbroeken, vooraan tusschen de eersten, die snelden naar de Belgische grens en hij was nog niet lang tusschen zijn kameraden, of zelfs Parijsche apachen hadden, diep-in, stillen eerbied voor die ijzeren duldzaamheid, die hoogere onbuigzame kracht, welke hem het zelf niet deed voelen, omdat de ander in hem leefde. Het was geen man, die tusschen hen in liep, het was de zwevende zelfverloochening.
Zij hadden den eersten dag acht uren in gefor-ceerden marsch langs de velden geloopen en toen hij, den eersten nacht, met de kameraden in het bivak lag, was de wacht opgedragen aan een Parijschen slungel, die z’n jongelingsjaren had doorgebracht, levend van het schandegeld van verworpen vrouwen.
Raoul zag hem aan, legde de hand op zijn schouder en zeide zacht: „M’n jongen, je zal dat niet uithouden, je zal neervallen en inslapen. Frankrijk heeft nu echter wakers noodig.”
„Ben jij dan een waker?”
„Niet ik, m’n jongen, maar die in mij leeft. Vóór ik