110
de kapotjas droeg, droeg ik de soutane.”
De apache week terug. In de wondere roeringen van den oorlog werden de menschen zichzelf; in velen die anders goed schenen ontwaakte, diep-in, het beest, in anderen, die het beest schenen, ontwaakte de mensch, die diep-in verdrongen was.
„Père,” zeide de apache, met een zwakke herinnering aan het kleine dorpje, waar hij geboren was, „ik wil graag bidden. Er is tegen mij niet meer „m’n jongen” gezegd, sinds ik m’n moeder verloren heb. Een vader heb ik nooit gekend.”
„Wij hebben allen denzelfden Vader, en buiten hem zijn er geen, m’n jongen. Kom, volg me, ik zal je dien Vader leeren kennen.”
Zij gingen samen naar een stil plekje en knielden. Toen zij gebeden hadden, legde de apache zich neder en het was de hand van den priester, die voor het eerst sinds z’n zevende jaar, hem de deken hoog om de schouders trok, ze instopte, zooals alleen een moeder het zou kunnen doen. En met een zachten groet: „Slaap wel, m’n zoon, God bescherme Frankrijk,” hem wilde verlaten.
„U heet père en u bent een mère,” zei de apache, met Parijsche geestigheid.
„Onze moeder is Frankrijk, mijn zoon, en nu moeten wij voor ons moedertje gaan waken, wij allen.”
Raoul stond, streng en onverbiddelijk, zooals de boetprediker gestaan zou hebben op de rots, het geweer in den arm en zijn oog drong door in de duisternis, werwaarts de Saraceensche benden zouden kunnen komen. Het geweer was ree in z’n hand, z’n adem was onhoorbaar en om hem heen zweefde de lichtende geest. Hij hoorde wondere geluiden in de stille lucht,