106
pathieën van Italië, de Angelsaksische sympathieën van Australië, Afrika, en een groot deel van Amerika, hopend op de Slavische sympathieën van den Balkan, met, achter in den rug, de hulpbronnen aan geld en menschen-materiaal uit Voor-Indië, Achter-Indië en uit Japan, werden door het genie van Delcassé tot een eenheid gesmeed.
Terwijl Duitschland dronken was van de nieuwe kracht zijner kleine eenheid, was het bewuste Frankrijk nuchter bij het overzicht over de groote wereld-eenheid tegen Duitschland geklonken. De schijnbare reus Bis-marck was inderdaad een dwerg tegen den schijnbaren dwerg, waarin de reus naar den geest, Delcassé, huisde.
Maar Frankrijk had zich gewapend voor den vrede; het wilde den oorlog niet, het verafschuwde den oorlog. Het telde de hoofden zijner kinderen en wist, dat het er niet veel meer missen kon. Het zag reeds van uit Walenland, van uit Italië, van uit Spanje de immigratie van vreemde geesten, die met ontaarding bedreigden. De oorlogsstemming had zich zelf in Frankrijk overleefd en Frankrijks dichter had in Cyrano en in 1’Aiglon den oorlogsroem omgezet in veredelende kunst. De geniale Galliër had ook ditmaal weer de wereld het voorbeeld gegeven.
Ja, Frankrijk was bang. Frankrijk bereidde zich voor, maar lusteloos, traag; het voelde den oorlog als fatum en als ramp; het had geleerd, hoe kostbaar een menschen-leven is.
Tot dan het conflict was gekomen. Twee-, driemaal was het afgeweerd. Frankrijk had zelfs het grootste offer gebracht, dat het Fransche volk kon brengen: het had te Fashoda eer ingeboet om oorlog te voorkomen. Het had gezwegen, toen Engeland Zuid-Afrika