HOOFDSTUK IX
Frankrijk, na den laatsten oorlog van 1870—71, was bang geworden. Telkens weer, sedert eeuwen, sedert Clovis en Dagobert, was het volk door oorlogen uitgeroeid en verarmd. Het was het verzet tegen deze gestadige aderlatingen, dat het blijmoedigste en goed-hartigste volk ter wereld eindelijk dan er toe geleid had, Kerk en Vorstenhuis te verdrijven, den adelterzij te stellen om ten laatste, zij het minder luisterrijk en eervol, in vrede en bescheiden geluk te leven. De burger-democratie heerschte sinds ’71 en hoewel het volk wel wist en voelde, dat die der burgerregeering daarboven zedeloos, schraapzuchtig en onwelmeenend waren, het verdroeg liever het dorre, nuchtere materialisme van den burger-democraat dan de uitputtende en uitmergelende, rustelooze, idealistische regeering van vorsten.
Doch, nu het volk aan zichzelf overgelaten werd, begon het gebrek aan idealisme bij de landsregeering zijn slechten invloed te toonen. Daar er boven geen idealen waren, kromp ook de idealistische volksgeest ineen en het Fransche volk, dat, door zooveel eeuwen heen, het lichtende punt was geweest, van waaruit over de geheele wereld beschaving verspreid werd, verzonk. Het werd nuchter, zooals de burger boven