100
„Ik ben toch nog te zwak,” zei Claus, die duizelig werd.
„Waar kom je vandaan, schoolmeester?”
„Uit Husum, in het Ditmarsche.”
„Dat dacht ik al. Wat een Berlijner is, wordt niet duizelig, al schieten ze n’em z’n kop af. Een Berlijner moet je eerst doodschieten en dan nog eens omstooten.” „Ik kan niet verder,” zei Claus.
„Dan zal ik je wel dragen, tot je aan de ham toe bent. Altijd maar er op, op de sofa,” zei hij. Hij hurkte voor Claus neer en bood z’n breeden, sterken slagersrug aan — „altijd maar zonder sjène; ik draag vier zijden spek een uur ver, dan zal ik jou ook wel kunnen dragen, schoolmeester.” En vroolijk, met flinken stap voortgaande, zei hij: „D’r is nog veel verschil tus-schen varkens en varkens, schoolmeester! Wij Ber-lijnsche jongens worden nooit duizelig. Hoe lang zou ’t nou nog duren, voor we in Parijs zijn? Ik ben benieuwd naar de Bier-Verhaltnisse —. Ze moeten daar bier drinken uit rijnwijnglazen. Weet jij daar ook wat van schoolmeester, als cultuurmensch zijnde ?” Onderwijl stapte hij met zware, groote schreden, nu langs een slingerend binnenwegje en toen hij zijn troep dichtbij zag, begon hij den looppas, zoodat Claus door elkaar geschud werd en hangend met de armen langs den korten, gedrongen stierennek van den slagersboef, bezwijmde hij weder.