99
„Neen,” zei Claus, „het is studiewerk.”
„En wat is dat andere boek dan? O, Heine, „Buch der Lie ... las hij, daar het der door een kogel was vernietigd. „Neen, het Buch der Lie ken ik al, dank je. En dat derde, wil je dat kwijt zijn? Het is ook wel om de merkwaardigheid van dat gat er door. begrijp je en vooral omdat er Fried op staat.”
Hij nam het boekje in z’n hand en las: Le .. con Deutscher .. tate. „Wat zijn dat voor „Friedenstate,” die kogels opvangen?”
Zonder het antwoord af te wachten, naast Claus loopend over het vertrapte korenveld, met het oog op de oprukkende Duitsche troepen een eind vóór hen, las hij: Leipzig, Druck und Verlag von Philipp Reclam Jr. „Niets,” zei hij, het boekje aan Claus teruggevend, zonder het verder in te zien. „Ik dacht dat hetKultur was, maar het is reclame; ik heb geen onderbroeken noodig.” „Ik heb honger,” zei Claus.
„In de kar had ik eten,” zei de soldaat, „maar ik had bevel gekregen om, zoodra m’n knollen op waren, m’n vrachtje voor het Rooie Kruis te laten liggen. Kan je een stapje aan doen; daar vóór loopen de Berlijners, mijn regiment, alles Garde voor Leuven en Brussel, de Garde voor Parijs en die hebben alles. Toen we uit Berlijn gingen, hebben de hoogste dames ons volgepropt ; ik heb een worst gehad van een gravin, van een echte gravin, maar worst is worst, zij smaakte niet anders, dan de worst van m’n vader. We hebben een zooi adellijke klanten — zes knechts en mijn vader heeft het prijsvarken van de landbouwtentoonstelling gekocht, eventjes tweehonderd kilo! De hammen hebben de eer gehad, opgekocht te worden voor „Majestat,” zei hij, aanslaand.