88
Een breede lach uit volle keel van Prak klinkt in de stilte van de kille kluis en echo’t in de plaatijzeren wanden.
„En die jofigen van den weg is er toen gebleven als knecht tot zijn dood... tot den dood van die boer en zijn vrouw... bar, bar beste menschen...”
„God mag ze d’r voor zegenen.”
„Ze zijn dood allebei, zooals ik je zeg.”
„Dan zegent God ze maar in zijn hemel... Nacht kameraad...”
„Nacht kameraad ...”
„Slaap je al schrijver?”
„Nacht kameraad...” mompelt de schrijver, die niet slaapt. Want hij mijmert.
Hij mijmert over twee landloopers, die gaan slapen met een zegening op de lippen voor een (denkbeeldi-gen?) boer en zijn vrouw, die eens een keer de partij van den „jongen van den weg” tegenover den veldwachter hebben gekozen.
Zondag.
Om zeven uur heeft de bel ons gewekt. Tien minuten later zitten wij weer in de zitkluis en zien elkaar aan, wachtend op de drie sneden maïsbrood.
Om half acht krijgen wij een nieuwen kameraad. Het is een man in boeren kleeding op klompen, met een rooden halsdoek om den hals en een pet op en al grijs haar. Hij heeft zijn kleeding mogen aanhouden.
„Zouden ze mij twee dagen koud geven?” vraagt hij dadelijk aan Willem. „Ik ben vannacht in Vlaring al in ’t cachot geweest. Zoo lazerus als ik was. ’k Heb tot mijn middel in een natte sloot gelegen... ’t water kwam mij tot hier. Als ze me er niet uitgetrokken hadden, was ’k naar de haaien gegaan... Als ik geen liter verstouwd heb, mag je ’t liegen heeten... Ze heb-