87
De twee liggen op hun stroozak nu te spreken. Buiten stormt het.
„’t Is hier beter dan buiten," zegt Willem.
„Ja... buiten is ’t nou niks ...”
„Ik wou, dat wij den winter al door waren. Ik heb nog nooit zoo tegen den winter opgezien als dit jaar. ’t Wordt nou hoe langer hoe moeilijker bij de boeren. Er loopen er te veel op den weg...”
„De boeren worden te rijk en dat maakt ze hard." „Ik ga, als ik weer vrij ben, naar de provincie Utrecht. Op Werkhoven aan. Waar ik vandaan stam. Daar ken ik een boer die mij als kind heit gekend. Daar kan ik in den barg (hooiberg) kruipen...’’
Een poos is het stil. Dan Willem weer:
„En die honden, die vervl..kte honden, die ze tegenwoordig hebben, ’t Zijn allemaal politiehonden, ’t Zijn roofdieren, die ze tegenwoordig bij de boeren hebben. Vroeger was dat allemaal beter. En de boeren waren ook barmhartiger. D’r moet in Overschie een boer geweest zijn, een boer met zijn wijf, die waren zoo goed voor den man van den weg. Wie bij ze aankwam, die kreeg een boterham en een kop koffie en ze hadden een schuur, met twee bedden voor den reizenden man. Daar mot het gebeurd zijn, dat de koddebeier op de deel zat en die dronk een kop koffie en at een boterham met spek en toen kwam er een man van den weg langs en die vroeg wat en ze lieten hem ook binnen en gaven hem een boterham met spek en een kop koffie, toen zegt die koddebeier:
„Ik zal jou eens opschrijven wegens bedelarij."
Met dat-ie dat zegt, wordt die boer driftig en zegt: „Mot jij een arm mensch dat lappen, vuile gluiper. Nou jij d’r uit of ik trap je d’r uit, verradelijke Judas... Geef ik jou an voor al de fooien die jij hier anneemt...’’
Jaagt ’m het erf af, de sloot over en de hond ’m na...’’
„Hahaha!"