84
strijdt tegen het pricipe van ons Nederlandsch volksbestaan, onze Nederlandsche volkspsyche, dat is eerbied voor de individualiteit, eerbiediging van elks persoonlijke vrijheid.
Heel dat dure gemier met „verlof” en „vergunning” is volkomen overbodig. Gezonde lichaamsoefening, gelegenheid tot vermaak en goedkoop voedsel en goed-koope zwak-alcoholische dranken zijn middelen tot drankbestrijding, geen Moffrikaansche verbodsbepalingen en het straffen van allerhande arme menschen met boeten vèr boven hun inkomen. De hedendaagsche drankwet is een gestadige aanranding van de vrijheid des Nederlandschen volks.
„Waarom draagt u de kleeren van ’t Huis?” vraag ik aan Willem. „Kunt u er niet voor zorgen, dat u niet onrein wordt?”
„Nee, daar kunnen wij menschen niet voor zorgen. Wij slapen, als ’t heel goed gaat, in logementjes voor twintig centen ’s nachts met ’s morgens koffie toe. Als nu op zoo’n bed vóór ons iemand met ongedierte heeft geslapen, dan krijgt degeen, die daarna op ’t bed komt, het ook. En geid om te gaan baden, goed om je te verschoonen, heb je niet. Wij zijn altoos zwervende — dragen ons heele hebben en houwen op ons lichaam. Als wij ons haar willen laten knippen, vinden wij dikwijls geen barbier, die ons toelaat. Dan is hier het Huis voor ons een uitkomst. Hier krijgen wij dan een bad, zeep, schoon goed en misschien knipt de bewaarder mijn baard. Ik loop er al veertien dagen mede, maar ik had geen kans hem kwijt te worden. Ik kon de vijf centen niet overhouden...”
„En u dronk voor twee dubbeltjes jenever...”
Hij keek mij even kwaad aan. Toen:
„Daar kwam ik door de miezerigheid toe ... Dat was uit ellendigheid.”
De andere landlooper, die dof en smartelijk had zitten te kijken, haalde ik nu in het gesprek.
„En waarom draag jij het goed van ’t Huis. Vooreen