83
maal,” gaat hij voort. „En er al eenmaal weggeloopen ook.”
„En weer gepakt?”
„Niet dadelijk. Maar gepakt wor je altijd weer. Waar zal je heen? Maar je loopt weg uit verveling en om eens een verandering te hebben,”
„Dat begrijp ik. Wie voor de vrijheid geboren is, kan niet altoos opgesloten en bewaakt leven.”
„Begrijpt u het mijnheer?” vraagt Willem met bewondering en genegenheid in zijn oogen.
En Prak komt ook heel vriendschappelijk bij den klerk zitten, die nu eens niet snauwt en niet volgens reglementen handelt.
Willem verhaalt mij zijn levensgeschiedenis. Eerst heeft hij mij verteld hoe hij zijn bekeuring heeft gekregen. Hij heeft gedronken, bar gedronken, hij is stomdronken geweest. Mij boezemt dat alleen medelijden in. Een slecht gevoed mensch, overal vertrapt, be„jouwd”, gereglementeerd, zonder dak, zonder huis, zonder vrouw, zonder kinderen, zonder ambacht, vindt in den roes juist als in den slaap, een weinig tijdelijke verzachting, Zich veertig jaar op een oorlog voorbereiden, in een Vredespaleis, officieel over vredesbedoelingen staan te huichelen, is veel erger dan een flinke roes drinken om een beetje ellende van een rampzalig bestaan weg te spoelen, ’t Eerste is monsterachtig, ’t laatste slechts zwak-menschelijk. Dr. Kuyper, die ons met een drankwet heeft opgescheept, welke hij liever in ’t vaderland van zijn moeder, Zwitserland, dat van ’t botteliersbe-drijf leeft, had moeten voorstellen, zou goed doen in zijn „Standaard” eens een statistiek te geven van al de ellende door zijn drankwet over het Nederlandsche volk gebracht. Zeer vele Nederlanders worden eiken dag tot onrechtvaardige straffen veroordeeld op grond van een wet, die van de eerste tot de laatste paragraaf