81
verdween” geen enkele bladzijde, die een onontwikkeld man kan begrijpen. Daarom ga ik maar een beetje praten.
„’t Is toch maar een harde straf, die ik heb. Vijftig guldens boete, of tien dagen.”
„U kunt een paar dagen afkoopen. Eiken dag vijf gulden verdiend, is mooi geld. Of verdient u meer ’s daags met dat schrijven?”
„Vroeger ja,” antwoord ik. „Vroeger heb ik wel eens drie rijksdaalders daags er mee gehaald. Maar ’t is tegenwoordig met de schrijverij niks meer gedaan.”
Mijn klacht, „dat het vroeger beter was” wordt dadelijk aanvaard. Onder arme menschen is ’t altijd „vroeger beter” geweest.
„Weet u in de schrijverij is het tegenwoordig al net zoo als overal anders in Nederland. Als je geen geld hebt om te beginnen, kom je er niet of je komt er als je oud en grijs bent en er weinig meer aan hebt. Zie je in de schrijverij is het tegenwoordig geen kwestie meer van talent of kunnen of edel streven, nee, kameraad, ’t is alleen een geld-kwestie. Heb je geen geld dan sta je als Nederlandsch dichter niet zoo heel ver af van den landlooper.”
Willem heeft aandachtig toegehoord en Prak, die mij met minder intelligentie volgt, kijkt me aan met oogen vol toewijding. Want het doet beiden zichtbaar goed, dat de „klerk” zoo gemoedelijk met ze spreekt en over zijn stand klaagt.
„U zult het in elk geval nog maar beter hebben dan wij,” zegt Prak.
„Wat doet u dan?”
„Ik loop nu maar met een kissie met manufacturen. Zoo’n beetje schooien langs den weg. Ik ben vijftien Nederlandsche jaren koloniaal in Indië geweest. Maar weggegaan toen ik op was met een nietig pensioentje. Altijd te veel gedronken.”
„Waarom deedt u dat dan?”
„Ja, waarom doe je alles. ’tZal het klimaat zijn, dat
6