80
zakelijkheid en nuttigheid naar buiten kan blijven mani-festeeren, bij dezen stand van verdrukten dan, heerschen nog middeleeuwsche, feodale instincten. Wie wil leeren hoe de psyche was der lijfeigenen en hoorigen, trachte met deze lieden op natuurlijke wijze, dus als hun gelijken, in aanraking te komen. Hij zal zoodoende meer van den geest der middeleeuwen leeren als de menschen, die alleen in boeken, in dood materiaal gestudeerd hebben, juist zooals men meer van een geneesheer leeren kan die chirurgie op een slagveld heeft geleerd dan bij een die uitsluitend op „fantoom" heeft gewerkt.
Deze menschen uit de alleronderste lagen der maatschappij, die op hun tiende jaar de school hebben verlaten en sedert niets meer hebben geleerd, die nauwelijks lezen en schrijven kunnen, hebben een soort schuwen eerbied voor den schrijver, den „Klerk".
Willem heeft het reglementaire kluisboek, „De houten lepel, novelle van oom Adam, uit het Zweedsch vertaald," van ’t kastje gehaald en tracht ook te lezen. Maar het boek verveelt hem — en ik ka'n het best begrijpen.
„Wil u een beetje in mijn boek lezen?”
Ik zeg „u" tegen hem en schuif hem mijn Kiplingtoe.
Het „u" doet zijn plicht. De man hoffelijk aangesproken, hij de door allen levenslang naar Nederlftnd-sche gewoonte ge-jouw-de, voelt zich vereerd.
Zoodra iemand arm is, spreekt een jurist hem met jij en jou aan. Juristen verdeden de menschen in twee soorten, die geld hebben en die ’t niet hebben. Andere onderscheidingen bestaan er voor deze kaste niet.
„Dank u mijnheer,” zegt Willem. „Ik heb vroeger bar veel van lezen gehouden, maar ik heb nu last van mijn eene oog.”
Het is waar. Het rechteroog is dof. Hij lijdt aan staar.
„Zoudt u mij wat willen voorlezen?"
Ik kijk in het boek. Maar er is in „Het licht, dat