77
zuchtig, bekrompen, achterlijk juristenbrein, en de ander toe moet staan, dat een derde kennis neemt tot zelfs van zijn allerintiemste zaken?
De brief verbreekt het grijs van den dag voor een oogenblik. Maar de kameraden gaan spreken en dadelijk ben ik weer in hun sfeer van ellende en vernedering.
Men spreekt van de voeding. Willem heeft uitgerekend, dat er, als ik voor ’t eerst warm eten zal krijgen, rats op het menu staat. En de drie spreken heel ernstig over de stijve gort, die Dinsdag wordt gegeven, de erwtensoep van Woensdag, de rats van Maandag, rats dat is de roode kool met aardappelen door elkaar. En er worden weer verhalen gedaan over die goede, oude gevangenis te Utrecht, waar tabak gesmokkeld kon worden en waar een polderwerker eens zeven flaaien (een soort pannekoek) op zijn naakten rug had binnengesmokkeld en waaraan toen de kameraden gesmuld hadden.
Het lijkt kinderachtig, dat deze menschen zoo zeer over het eten spreken. Maar ieder in zijn aard. Voor hen bestaan er nu eenmaal niet juristen-congres-diners, waar ook immers braaf gebikt wordt en welk bikken ook het voornaamste is, dat deze congressen behandelen gezien het feit, dat een journalist deze heeren thans moet komen zeggen wat hondsch wreede toestanden zij al die lange jaren, maar hebben laten voortduren zonder er zich om te bekommeren.
De „schoolmeester” komt mij bezoeken. Het reglement luidt, dat in elke kluis één boek per week wordt gegeven, dat door een der gevangenen aan de anderen kan worden voorgelezen. Maar voor mij wordt de uitzondering gemaakt, dat ik mijn lectuur mag kiezen. Ik vraag om den catalogus van de gevangenis-biblio-theek. De schoolmeester deelt mij mede, dat mij die niet mag worden ter inzage verstrekt. Ik vraag mij