76
tegendeel bewerkt van ’t geen de kaste der belanghebbende juristen beweert. Het gevangenis-stelsel maakt door onthouding der vrijheid, de menschen ongeschikt voortaan in vrijheid te leven. Vandaar de recidive als proef op de som. Vandaar het ware woord, „dat wie eenmaal in de gevangenis geweest is, er vroeg of laat weder in terugkeert.”
Ik krijg een brief. De brief is te voren geopend. Welke rechten heeft de directeur van de gevangenis, om een brief van mijn meisje aan mij, te openen en te lezen? Waarom mag het briefgeheim geschonden worden van iemand, die, in stede van zijn bediende opdracht te geven, even een postwisseltje aan den ontvanger van registratie te zenden, zijn boete gaat afzitten? Welke gevaarlijke mededeelingen kunnen iemand bereiken, die een kar vóórt heeft getrokken in plaats van heeft geduwd of die een borrel te veel heeft gedronken, of die na bezetten tijd in een café is gebleven, of die zijn meening heeft geuit omtrent de politiek door Potsdam gevoerd, of die op straat een lied heeft gezongen of die tien eieren op een land heeft opgeraapt, of die een der tweeduizend verbodsbepalingen heeft overtreden, welke kans geven op bekeuring? Welk recht heeft men mij deze rechteloosheid aan te doen, ik, die een onberispelijk verleden heb en van mijn arbeidslust meer dan voldoende getuigd heb gedurende vijf-en-twintig jaren van mijn zorgelijk, maar achtenswaardig leven? Ik maak er den directeur van ’t Huis van Bewaring persoonlijk geen verwijt van. Doch wèl den wetgever. Tusschen een man, die een boete betaalt en een, die een boete afzit, bestaat geen ander onderscheid, dan dat de een wel en de ander niet de paar zilverlingen over heeft. Mag geldbezit zulk een onderscheid maken in iemands verhouding tot den staat, dat de een maling kan hebben aan alle tweeduizend paragrafen, uitgebroeid in hun zelf-