75
Het Haagsche oude mannetje, dat tegen een boom heeft gestaan, zal straks ontslagen worden. Maar hij is in groote verlegenheid. Hij bezit slechts dertig centen. Hoe zal hij daarmede van Rotterdam naar Den Haag komen? Willem, de manke landlooper, raadt hem aan over Delft te gaan en legt hem uit, welke wegen het kortst zijn. De andere landlooper geeft hem den raad, het bootje tot Delft te nemen. Maar het mannetje is bezorgd en onrustig. Als hij maar vóór den avond thuis is. En als ’t maar niet regent, want zijn schoenen zijn niet te best en als hij natte voeten krijgt, is hij er een week ziek van. „Vraag het aan den directeur,” raadt Willem. „Dan krijg je misschien een kaartje voor den trein. Geld geven ze je niet; want als ze geld zouwen geven, dan zou er menigeen jenever voor koopen en niet naar zijn stad teruggaan.”
Tegen den avond gaat de kluisdeur open en het Hagenaertje vertrekt. Hij laat, hoewel hij weinig gesproken heeft, een leegte achter. Want het gemeenschappelijk leed verbroedert spoedig. Alle deze wegens bekeuringen opgesloten lieden, voelen voor elkaar vriendschap. Hun straf ondergaan zij met een soort fatalisme. Zij zijn zoo overtuigd van hun rechteloosheid, van de macht der kaste, die door hen leeft (en goed leeft), dat hun besef van menschwaardigheid op sommige punten is verzwakt. Het gevangenis-straf-stelsel, dit middeleeuwsch-wreede lijf straf-instituut, in stand gehouden ter wille van de klasse der materialis-tisch-kapitalistische juristen, heeft als gevolg het verlies van het gevoel der persoonlijkheid en der eigenwaarde. Een volwassen mensch, dien men van zijn vrijheid berooft en volkomen afhankelijk maakt van uit de lagere klassen gesproten bewaarders, die allen, slecht betaald, overwerkt en prikkelbaar, afleiding zoeken in treiteren en koejeneeren, moet zijn zelf, zijn persoonlijkheid verliezen. En toch, de maatschappij is gegrondvest op het individueele initiatief, zoodat de gevangenis juist het
%