66
geweest. Daar gaf ik vijf gulden kostgeld van. Dat is te weinig. Ik kon d’r niet van bestaan... En dan nog, ’s winters zijn er geen hoepels te maken. Ik had nog in de kuiperij kunnen gaan... Maar kuipers zie je, die motten rondom de ton kunnen loopen om met de dissel te werken. Ik kon niet zoo goed mee met mijn manke poot. Zoo ben ik dan den weg opgekomme... En ik zal d’r wel nooit meer afkomme ook...”
Het is stil en dreinerig in de kluis. Hij heeft mij in eenvoud de tragedie van zijn leven verteld. Van zijn leven alleen? Van duizenden levens. Van honderdduizenden levens. De geheele beschaafde wereld is bezaaid met tramps.
Waarom komen zij op den weg. Waarom zijn zij lui? Het antwoord moet gegeven worden met liefde, met begrip voor het wezen van den ander, van den minder gelukkigen medemensch. Zij zijn lui, zij hebben gebrek aan werkkracht, omdat zij geestelijk en lichamelijk achterlijk zijn. Luiheid is een psychose. De maatschappij vergoedt zooveel voor vlijt, ijver, energie en is zoo mateloos wreed voor degenen, die geen vlijt en energie bezitten, dat alleen aangeboren afwezigheid van wilskracht oorzaak kan zijn, dat menschen zooveel ellende liever dragen dan regelmatig en vlijtig te arbeiden.
Luiheid, zwakte van wil is een zielsziekte. Het is dikwerf ook een atavisme. Het is ook vaak een gevolg van verkeerde rasmenging, van ongeschikt klimaat, van slechte voeding en training in de jeugd.
Doorgaans zijn luie menschen tevens hyperzinnelijk en vaak ook zijn luie menschen, groote eters, ware veelvraten. Bij idioten ziet men ook gewoonlijk de eetlust zeer ontwikkeld.
Luiheid is een ziekelijke storing der geestelijke of der lichamelijke functies. Bedelaars en landloopers zijn ayen min of meer zenuwlijders. Hun drankzucht is een pogen om door de roes een oogenblik aan de gruwe-