64
sta ik toch weer te zuipen en kom rut, totaal rut op den weg en loop straal bij den weg en in ’t dorp met de kinderen achter me an... Toen was ’k er gauw bij... ’k Heb niet veel gekregen, drie dagen. Maar je zit er aan vast. ’t Is niet om ’t hier zitten,, want nou met de kou en de nattigheid slaap je hier nog wel zoo goed als ’s nachts aan de weg. Maar ’t is om ’t eten. Twee dagen koud... en toen ik hier kwam had ik toch al een paar magere dagen achter mijn rug. Ik lijk wel sterk, maar ’t houdt niet over... ’t Is meer schijn dan zijn.”
„Jelui zijn er toch ongelukkig aan toe. Maar waarom werk je niet. Ik hoop, dat je mij niet impertinent vindt kameraad. Ik vraag je het uit interesse.”
De twee cursive woorden hebben mij gered. Want uit zijn donkere oogen onder de zware, ruige wenkbrauwen heb ik een vuur van toorn zien opvlammen. Deze man is een en al ingehouden verbittering en bedwongen hartstocht. Hij moet gevaarlijk en verschrikkelijk zijn, als hij dronken is. In mijn handen is hij als een pop____ want ik ken heel wat stadhuiswoor
den! En is de derde kameraad er niet bij, die moet hooren hoe hij zich geleerd onderhoudt met iemand, die niet minder dan twee gouden pince-nez bezit!
„Werken! Ik? Ik kan niet werken. Ik wil wel maar ik kan niet.”
„Heb je dan geen professie-ambacht geleerd?”
„Van professie ben ik metselaar-hoepmaker. Ik heb tot mijn zevende jaar het goed gehad. Ik heb een beste, brave moeder gehad en as die en was blijven leven, dan zat ik nou niet hier, dan zat ik nou zeker niet hier. Mijn vader was metselaar van zijn professie en oefende dat vak als opperman uit. Hij verdiende ’s zomers tot veer-iien-gulden in de week. ’s Winters was ’t een paar maanden sukkelen, maar we kwamme netjes door de wereld. Ik had het best als kind. Ik droeg hessies met een matrozenkraaggie van blauw met witte biezen. En Zondags kreeg ik drie centen voor de snoep. Toen