63
„Ja, dat is mijn gevestigde overtuigingsopinie. Een borrel per se doet geen kwaad.”
Dezen keer sla ik de plank mis.
„Op zee... dat’s wat anders. Daar kan je een oorlam velen...”
De tweede kameraad, die nog altoos zwijgend, wantrouwend is geweest, toont me de eerste toenadering.
„Op zee, zeker. Ik ben koloniaal geweest en ik zeg je, als wij onzen borrel op ’t schip kregen, dan was er geen een, die er niet nog een bij lustte.” „Driemaal is scheepsrecht,” zeg ik lakonisch. Afgetrapte banaliteiten doen het bij den vierden stand altoos weer. Als gij er op uitgaat om de onderste lagen goed te Ieeren kennen, moet gij den weg naar het hart weten te vinden.
„Drie krijg je er nooit. Eén... maar dat was dan ook een goeie. De glazen waren zoo groot, dat je er tegenwoordig best twee borrels van kon maken... ” „En dan nog ’t water dat ze in je neutje gooien. Da’s allemaal door ons slecht oeconomisch beheer.” (Raak!) „Dat is het, kameraad. De okonomische heeren... de okonomische heeren in Den Haag. Als ik aan de regeering stond, dan zou ik andere wetten maken...”
„Maar nou nog ’ns van dat drinken gesproken. Hoe raakte je ’m nou zoo kwijt, dat ze je hier in de lik kregen?”
„Nou dan, waar was ik dan aan toe?”
„Dat je een kennis ontmoette.”
„Juist zoo... ik denk nog, laat ik nou niet gaan zuipen, maar ik ging toch mee. En ik verzoop eerst mijn zeventien centen voor mijn boonen. Toen dacht ik, wat kan ’t mijn bommen, nou heb je toch geen vreten meer en ik neem er nog twee... Toen heb ik nog een duppie over... en ik gaan weg. Ik bin al weer op den weg en ik loop al in ’t dorp, ik staan bij de deur van ’t logement, loop ik terug weer naar mijn kameraad in de eigenste kroeg en