61
heeft gehad, haar dadelijk te laten repareeren, natuurlijk op mijn kosten. De bewaker komt binnen en brengt mij de gerepareerdé pince-nez en vertelt er bij, dat het nieuwe glas zestig cent kost.
Ik moet mijn twee nieuwe kameraden mijn twee gouden pince-nez vertoonen, den prijs er van vertellen. En meteen ben ik in hun argeloos gemoed bevorderd tot rijkaard, tot voornaam sinjeur, kortom, ik word door beiden met meer achting en fatsoenlijkér behandeld wegens mijn twee gouden brillen, dan de heeren Royaards, Verkade, van Riemsdijk, mevrouw van Riemsdijk geboren de la Bassecour Caan, mr. van de Rivière (van de „Provinciale Groninger Courant”), mr. P. W. de Koning, J. L. Funke mij hebben behandeld, wegens mijn twintig boeken en meer dan duizend oorspronkelijke novellen.
„Ik zou ook graag een bril hebben,” zeide Willem. „Zie je, kameraad, ik heb altijd zoo veel van lezen gehouden. Waar ik maar een vodje bedrukt papier vond, heb ik het gelezen. Maar nou heb ik een vlek op mijn oog gekregen en ik kan niet meer lezen. Ik had graag een geleerde geworden... maar het is anders geloopen... Ik ben nou maar een arme, verdreven verdommeling...”
„Waarom ben je hier, kameraad?” vroeg ik.
„Omdat ik dronken ben geweest... Ik ben er ditmaal stom tegen an geloopen. Het had heelemaal niet gehoeven. Ik ben Jandlooper, zie je, ik heb wel een kistje met manufacturen, maar als de barmhartigheid van de menschen er niet bij komt, kan ik verhongeren. Nou, ik had den heelen dag met mijn mars geloopen en ik had zeven-en-dertig centen bij mekaar geschooid. Ik denk, dat is twee dubbeltjes voor mijn logement en zeventien centen voor een pot boonen. Ik loop het dorp binnen en tref een ouwen kennis van mij. Ja, zie je, onze soort menschen hebben maar weinig houvast in de wereld van andere menschen, geen familie of niemand, waar je ’r is aan kan loopen. Dan zie je