177
„Wat mij het levers daar veraangenaamd en den tijd verkort heeft, was behalve de kerkgang ook het bezoek van mijn familie. Want al heeft ook dit zijn minder aangename zijde door de omstandigheden, waaronder het moet plaats hebben, je kan daaraan veel veranderen door je zelf te dwingen tot het niet willen zien van die tralies en al dat belemmerende, en dan is het prettig de zijnen eens even weer van aangezicht tot aangezicht te mogen aanschouwen. Zeer genoegelijke oogenblik-ken waren het ook, als je brieven werden binnengebracht en dat gebeurde mij meest bij stapeltjes tegelijk. En dan — dit bewaarde ik voor het laatste, maar het doet voor mijn gunstig oordeel de deur dicht — de bezoeken die ik ontving in mijn cel, als daar waren van den barbier of liever tondeur (ik heb me trouwens maar eenmaal aan de moderne foltering van de tondeuse gewaagd, en ik wou niet den schijn geven, alsof ik het martelaarschap zocht, al meer dan ik het reeds deed); van den meneer, die zoo vriendelijk kwam vragen, of er nog lectuur genoeg was; van den dokter, met wien ik zoo gezellig over alles en allerlei sprak; van den godsdienstonderwijzer, met wien ik natuurlijk ook, schoon zeer vertrouwelijke, disputen kreeg; van den officier van justitie, die mij als regent kwam opzoeken en mij later nog eens vriendelijk tot een gesprek uitnoodigde na de ontvangst van een brief van mij, en ten slotte, lest best, van den directeur en de bewaarders.
„Bij mijn heengaan'heb ik tot den directeur gezegd: „Uw hotel kan ik om u begrijpelijke redenen niet aanbevelen, maar den hotelier en zijn personeel hoop ik bij voorkomende gelegenheden sterk te recommandee-ren.” De prettige, voorkomende en welwillende manier, waarop ik door dezen ontvangen en bij toeneming behandeld ben, kan ik slechts loven. Ik denk, dat mijn heele gunstig oordeel in een ongunstige opinie veranderd zou zijn, als deze behandeling evenzoo onvriendelijk, onheusch, onkiesch en ruw was geweest, als ze nu vriendelijk, heusch, kiesch en zacht was. En ik ben