175
’s avonds wel wat ongewoon vroeg, vooral met den nieuwen tijd in deze lange dagen, als je den ganschen dag op een driepootig hard krukje gezeten had, dan draalde je niet met je eens heerlijk lang uit neer te vlijen op het stevige, ijzeren ledikant met een harde matras, dat je even te voren zelf van den muur hebt afgehaakt en opgemaakt. Het kussen was wat heel laag, maar dat kan worden aangevuld met overjas en een van de wollen dekens. Tenzij de zware kost van den middag mijn maag niet plaagde, die zich niet zoo gemakkelijk voegde als de eigenaar zelf, sliep ik best en met de telkens vernieuwde frissche lakens behoeft dat voor iemand, die van harde ligging houdt, niet te verwonderen. Over onreinheid van het een of ander heb ik niet te klagen gehad en er werd bovendien overvloedig gelegenheid gegeven, om zelf de dingen schoon te maken en te houden. Maandag was de groote schoonmaakdag. Van onfrissche geuren heb ik ook nooit iets gemerkt. In en buiten de cel rook alles even frisch en zelfs wat men hier noemt de snuifdoos heeft nooit op een eenigszins hinderlijke manier zijn aanwezigheid verraden. Als men dat onmisbare meubel naar voorschrift behandelt, dan kan men zijn eten met smaak gebruiken in zijn onmiddellijke nabijheid.
„Dat eten was goed. Evenals thuis smaakte het een beter dan het andere, maar het was goed toebereid, en de erwtensoep krijgt men in de beste hotels zeker niet beter. En als je, zooals ik, weinig gebruik maakt van het ’s morgens en ’s avonds bij de melk („warm van de koe”, zeiden de bewaarders) en bij de koffie toegediende roggebrood (later kreeg ik tarwebrood, omdat mijn maag met het roggebrood moeite had), dan gaat het middagmaal er lekker in, al wordt het met een houten lepeltje uit een geoord blik opgediept.
„Met graagte maakte ik altijd gebruik van de gelegenheid, om ’s morgens een luchtje te scheppen. Bij het uittreden uit de cel viel je altijd weer op de groote overgang van de betrekkelijk donkere kleine ruimte in