174
te Groningen doorgebracht. Als ik nu, na afloop daarvan, u mijn indrukken weergeef, dan kan ik niet anders zeggen, dan dat de eindindruk zeer gunstig is. Als martelaars voor een goede zaak nooit iets ergers hadden door te maken dan wat ik doormaakte, dan zou het waarlijk niet de moeite waard geweest zijn, dat de historie er melding van maakte. Een vriend-collega liet zich in een brief aldus uit: „Ik heb wel eens een verblijf in een gevangenis of huis van bewaring ge-wenscht, om de rust en volkomen afwezigheid van allen dwang om routine-werk te doen.” En zoo is het inderdaad. Als men zich langzamerhand een beetje aan het vreemde en minder aangename heeft gewend, dan gaat men waardeeren het rustige, het door niets dan enkele, meest verre geluiden gestoorde.. En dan geeft men zich kalm over aan zijn gedachten, en men kan die, zooals ik gedaan heb, ook toevertrouwen aan het papier en preeken maken, of men kan zich verdiepen in boeken van eigen keuze. En als dat op den duur wat vermoeiend wordt, dan maakt men eens een wandeling op en neer in zijn cel of men gaat wat zakjes plakken. En al is dan het venstertje wat hoog en wat klein, en de muur wat kaal en koud, en de deur wat „unheimisch” zwaar beslagen, langzamerhand vergeet men dat, en men begint zelfs iets gezelligs te vinden in zijn kleine omgeving. Het knarsen van de sleutels in de deuren hoor je al niet meer, dat je je eten door het zoogenaamde schaftluik wordt toegereikt (hetgeen trouwens maar zelden geschiedde) ergert je niet langer, je hoort uit de ruime vestibule scherts en gelach of gezang tot je opstijgen, daar komt eens een muschje of spreeuwtje uitrusten voor je venster en je vergeet soms geheel, dat je bent, waar je bent.
„Op de bepaalde tijden komen de bewaarders even binnen, meestal met een gevangene, een tweeden Jozef, op zij, om te zien of je opgestaan bent na het luiden der bel, om eten te brengen, om wel-te-rusten te wen-schen, en al was het uur van zich ter ruste te leggen