173
mrs. Fry reeds voorgestelde klassenstelsel, naar gelang van het misdrijf, waarin door het toekennen van kleine voorrechten een prikkel ligt om te streven naar ver-hooging?
„En dan verder, als gij eenmaal met innerlijke ontferming bewogen zijt, gaat gij het geheele stelsel bestrijden. De Staat heeft den plicht de anti-maat-schappelijken af te zonderen. Maar zouden daar geen andere middelen voor wezen dan de gruwzame gevangenissen van heden?----”
De tweede getuige, Ds. Sevenster, van Beetgum, eveneens wegens onderteekening van het manifest ter dienstweigering veroordeeld (tot f 150 boete of 35 dagen hechtenis), had dadelijk na zijn ontslag met een correspondent van de „N. Rott. Ct.” een vraaggesprek. Deze waarlijk onverdachte getuige, die zelfs „tralies kan wegdenken” en wien een aantal gunsten zijn toegestaan, waarop andere in hechtenis zich bevindende personen geen recht hebben, komt aan het slot van zijn gesprek tot dezelfde conclusie als Ds. De Baan en de schrijver van dit werk.
Het interview luidt volgens de „N. Rott. Ct.” van 22 Juni 1916, Ochtendblad A:
Ds. Sevenster en de gevangenis.
„Men schrijft ons uit Groningen:
Met mevrouw Sevenster was afgesproken, dat ik haar echtgenoot onmiddellijk nadat hij in vrijheid zou zijn gesteld, zou mogen interviewen, ’t Onderhoud was bepaald op Dinsdagmorgen elf uur, ten huize van een familielid van den Beetgumschen predikant, die in Groningen woont. Op den bepaalden tijd vond ik vader, moeder en hun twee zoons in den rustigen familiekring, waar ds. Sevenster zoo welwillend was me het volgende te vertellen:
„Vijf-en-dertig dagen heb ik in het huis van bewaring