170
foliant, waarin je met je handteekening moet bekrachtigen, dat je het heusch bent.
„Naar cel 17,” zegt de directeur. De bewaker krijgt een cartonnetje dat op mijn deur moet bevestigd worden; daarop is ingevuld: duur van den straftijd; mijn misdaad (in het openbaar bij geschrifte opruien); mijn kerkelijk lidmaatschap. De eenigszins wonderlijke combinatie is waarschijnlijk om aan mr. Bonger de studies te vergemakkelijken over geloof en misdaad. „Gaat-u-maar-mee,” zegt de bewaker weer.
De gevangene geeft een beschrijving van zijn cel, die niet geschikt is om te stemmen tot blijmoedigheid. Hij zoekt die in het bondgenootschap met Hem, die de bron is voor de ware blijmoedigheid.
Dan brengt de bewaarder werk: zakjes vouwen. Den volgenden dag krijgt de gevangene echter de studieboeken, waarom hij heeft gevraagd. Dit kon, omdat hij „hechtenis” had. Bij gevangenisstraf moet men „in de zakjes” blijven. (Is dit wel zoo?) De gevangene had reeds den tijd waargenomen om een boekje voor de oudste katechisanten te schrijven. Alleen ter afwisseling van de studie vouwt hij weer zakjes____
„De beide eerste dagen krijgt men alleen water en brood, een maatregel, waarvan de gerechtigheidszin of de hygiënische en paedagogische waarde mij volkomen duister zijn en dien de bewaarders zachtjes hoofdschuddend, als onder stil protest, uitvoerden.
„Dagelijks worden de gevangenen ’n half uur „gelucht”. Officieel heet dit „wandelen”. Op het reglement staat: „op de wandelplaatsen zijn de gevangenen tot het nemen van beweging verplicht”. Om dezen plicht te volbrengen heeft men een ruimte iets grooter dan de cel, ongeveer 3 bij 4 M., aan drie zijden muur, vóór ’n ijzeren hek, boven vlechtwerk. Er zijn hier op de binnenplaats drie zulke hokjes naast elkaar. Mijn makkers houden zich aan 't reglement en nemen inderdaad „beweging”. De arme kerels stappen op hun klompen alsof ze den trein nog halen moeten. Ik kan