164
voor de vele goede zorgen, die u voor mij gehad heeft. Ik heb mij persoonlijk over niets te beklagen, maar er zat in de kluis een kermisreiziger, van wien ik de overtuiging heb, dat hij onschuldig is, en die slechts door het verzuimen van een formaliteit is gearresteerd.”
„Het zou mij verwonderen, bijna alle menschen in de gevangenis beweren, dat zij onschuldig zijn, maar ik kan daar niets aan doen, tenzij dat de man zich richt tot een advocaat.”
„Bestaat er tusschen U en de rechters die vonnissen, eenigen band?”
„Niet een officieele. Mijn taak is hier als ambtenaar te zorgen, dat de opgelegde straffen reglementair worden afgezeten. Daarmede houd mijn bevoegdheid op.”
De directeur streek de zilverlingen, die ik had uitgeteld op.
„Komt het nooit voor, dat u de overtuiging krijgt, dat een mensch, hier opgesloten, te zwaar gestraft is?”
„Dat komt zeker wel voor. Wanneer men hier de menschen leert kennen en al (je omstandigheden, waardoor zij vaak tot misdaad zijn gedreven, moet ik vaak erkennen, dat de straf te zwaar is, naar verhouding van het misdrijf. Maar ik mis elke bevoegdheid om buiten mijn reglement te gaan. Ik ben ambtenaar en ik tracht een humaan ambtenaar te zijn.”
„Dus u heeft zich persoonlijk over niets te beklagen?” vroeg de directeur nogmaals, mij ongeloovig aanziende.
„Persoonlijk over niets.”
Hij stak mij de hand toe, die ik aannam en drukte.
„U bent de eerste persoon,” zeide hij, „die hier weg gaat, zonder zich over het personeel te bezwaren of zich over iets te beklagen.”
„Adieu, mijnheer, en ondanks mijn gebrek aan beklag, toch niet tot wederziens.”
Vijf minuten later ging de zwaren ijzeren buitendeur