162
buitenlandschen staat, die morgen, die heden, de bloedvijand des lands kan worden?
Wij wenschen een Nederland, bevrijd van den jurist. Wij wenschen dat in het land van Rembrandt, de kunstenaar niet langer in de eenzame kluis kan worden geworpen, omdat hij, wars van fielterige diplomatie, niet terugdeinsde zijn vrije meening te zeggen omtrent de tyrannie van hen, die heerschen door de macht van bloed en ijzer.
De zesde dag van mijn gevangenschap was aangebroken. Verzwakt door honger en slapeloosheid, voldoende ingelicht omtrent de door mij aanschouwde en meegeleefde toestanden, besloot ik mij los te koopen.
„Bewaker," zeide ik, „word ik nog naar andere kluizen gevoerd?”
„Neen, de rest van uw straftijd zult u hier bij deze zelfde mannen moeten doorbrengen.”
„Welnu, ik kan nuttiger voor ze zijn daarbuiten dan hier, tusschen mijn arme kameraden. Doelloos lijden heb ik niet gezocht. Wil den heer Directeur mede-deelen, dat ik hem dadelijk te spreken wensch, om hem het resteerende bedrag van mijn boete, af te betalen.”
De bewaker vertrok en een kwatier later bevond ik mij in de kamer van den directeur van het Huis van Bewaring te Rotterdam.
„Mijnheer,” zeide ik, „ik heb mij nu voldoende van de toestanden alhier op de hoogte gesteld en wensch thans mijn vrijheid te herkrijgen. Hoeveel ben ik u schuldig?”
De directeur sloeg een groot boek op, keek in mijn register en zeide:
„Op dit oogenblik nog vijf-en-twintig gulden, maar wanneer u nog twee uren wacht, dan bent u voluit een etmaal méér hier en dan verdient u nog vijf gulden meer. Dan bent u slechts twintig gulden schuldig.”