150
een postwissel van f 50.— te sturen, verkoos te onderzoeken, op welke manier de Nederlander in Christelijk Nederland behandeld wordt, die niet in staat is, door middel van een handvol zilverlingen, zich van zijn straf vrij te koopen. Is er onteerender en vernederender behandeling denkbaar, dan dat een dergelijk bezoek slechts in tegenwoordigheid van een derde kan plaats vinden, wanneer het bezoek al wordt toegestaan. Men moet wel in het oog houden, dat het hier niet betrof een misdadiger, maar iemand die zijn boete niet had betaald. Heel deze omhaal, ambtelijke herrie- en dikdoenerij betrof een geldzaakje van een handvol guldens. Later heb ik ook bezoek gehad van mijn tegenwoordige echtgenoote en van den heer Oeleyns, uitgever van de „Holland-Express.” Telkens mocht het onderhoud niet langer dan een kwartier duren, was ik zoodanig in de kooi van glas en ijzer opgesloten, dat ik zelfs niet in staat was, mijn vrouw een hand te geven. Iemand die een fotografie zou gemaakt hebben van deze ontmoeting, zou het kiekje kunnen vertoond hebben als een scène uit een dramatische bioscoopfilm. Verbeeldt u, achter de glazen wand in de kooi ik zelf met een baard van vier dagen, bleek en vermoeid door het water en brood, de kille, vochtige gevangenis-kluis-sfeer en de slapelooze nachten; in de tusschen-ruimte de hoofdbewaker, een reus van zes voet in zijn cipiersuniform en dan achter een hek mijn tegenwoordige echtgenoote, toen nog mijn verloofde, in haar donker pakje, met het kleine, zwarte hoedje, waaraan een langen zwarten sluier, de ambtskleeding van de verpleegster uit het Stedelijk Ziekenhuis te Rotterdam. En toch was het eigenlijke dramatische van deze kiek niet zoozeer dit bezoek, hoezeer dan het arme vrouwke haar tranen met kracht bedwong, maar wel dat de jurist deze straf heeft uitgedacht voor elkeen die zijn boete niet afkoopen kan, hij moge dan overigens de beste mensch ter wereld zijn. De